zondag 24 oktober 2010

De presentatie van "De Vergeten Wetenschappen" vond plaats op 23 oktober 2010

Na afloop van het congres "The Making of the Humanities", vond op 23 oktober in de Doelenzaal te Amsterdam de presentatie van het boek "De Vergeten Wetenschappen" (uitgeverij Prometheus/Bert Bakker) plaats. Na een korte inleiding door Ronit Palache van Prometheus, nam de auteur het woord. [Op de foto van links naar rechts op de eerste rij: Joep Leerssen, Rens Bod en Daniela Merolla]


Samenvatting toespraak Rens Bod

Beste vrienden, collega’s, familieleden: heel hartelijk welkom en hartverwarmend om te zien dat jullie in zulk grote getale zijn gekomen. Op de uitnodiging die jullie hebben ontvangen staat een uitspraak van de voormalige minister Plasterk, die ik nog eenmaal wil aanhalen:“Alfa’s schrijven de geschiedenis maar bèta’s maken de geschiedenis”. Men kan deze uitspraak natuurlijk afdoen door te zeggen dat zo’n minister zich hiermee zelf te kijk zet, maar het toont ook aan hoe onzichtbaar doorbraken en ontdekkingen in de alfawetenschappen zijn. Nooit hoor je iets over ontdekkingen of baanbrekende inzichten in de alfawetenschappen. Je zou je bijna afvragen: zijn die er wel, ontdekkingen in de alfawetenschappen? En wat zijn dat eigenlijk: de alfawetenschappen. Als ik aan niet-academici vraag wat de alfawetenschappen zijn, ook wel geesteswetenschappen of humaniora genoemd, krijg ik vooral een lange opsomming van talen te horen: de alfawetenschappen dat zijn Nederlands, Engels, Frans, Italiaans, Spaans natuurlijk, ook Duits, en ja ook Klassieke talen, en Geschiedenis natuurlijk ook. Verder nog iets? Talen vormen op zichzelf natuurlijk geen wetenschappen, wel wordt de bestudering ervan aangeduid met taalwetenschap. Maar daarnaast hebben we ook de musicologie, de filologie, de historische wetenschappen waaronder de archeologie en kunstgeschiedenis, de theaterwetenschap, de literatuurwetenschap, maar ook de nieuwere alfawetenschappen zoals mediastudies en filmwetenschap. Dus de alfawetenschappen bestuderen: tekst, kunst, taal, muziek en media (en de geschiedenis ervan), Met andere woorden, ze bestuderen de expressies van de mens, of de producten van de menselijke geest. Leuk en aardig, maar wat voor ontdekkingen of doorbraken zijn daar nou te vinden?

Wel je zult je verbazen! Ik wist lange tijd ook niet beter of de geesteswetenschappen waren weinig meer dan een luxe tijdverdrijf die geen grote bijdragen aan de menselijke lotsverbetering hadden geleverd – zoals de geneeskunde en de natuurwetenschap dat hadden gedaan. Tot ik mij in het begin van de jaren negentig als jonge onderzoeker bezig ging houden met de kunstmatige intelligentie, een discipline die eigenlijk veel dichter bij de geesteswetenschappen staat dan vaak wordt gedacht. Ik durf zelfs te beweren dat de kunstmatige intelligentie niets anders is dan “een voortzetting van de studie van de menselijke geest met andere middelen”. Via de kunstmatige intelligentie kwam ik voor het eerst in contact met de hedendaagse alfawetenschappen, vooral de taalkunde en de musicologie -- disciplines die we niet op de middelbare school krijgen voorgeschoteld. Ik was onmiddellijk onder de indruk hoe exact de methoden uit die disciplines waren. Formele grammatica’s met prachtige algoritmische beschrijvingen, alsook de ongelooflijk precieze harmonieleer uit de musicologie.

Maar wat voor toepassingen of ontdekkingen vinden we hier dan? Te talrijk om op te sommen.

Laat ik er een paar noemen: de ontdekking van taalkundige grammatica-systemen in de eerste helft van 20e eeuw. Ik hoor jullie al denken: is dat nu een belangrijke ontdekking? Wat veel mensen echter niet weten is dat deze grammatica-formalismen vrijwel onmiddellijk zijn gebruikt voor het ontwerp van hogere computertalen. Een ander voorbeeld is de 19e-eeuwse ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie, waar ondermeer het Sanskriet, het Grieks en het Nederlands deel van uitmaken. Deze Indo-Europese familie is ontdekt aan de hand van heel precieze klankverschuivingswetten die relaties tussen talen en volken hebben blootgelegd. En deze relaties blijken niet alleen taalkundig maar ook genetisch van aard te zijn, zoals veel later werd aangetoond in de erfelijkheidsleer.

Daarnaast zijn er ook vele alfaontdekkingen die niet de bètawetenschappen maar wel de maatschappij hebben beïnvloed: zo heeft de zogeheten historische bronkritiek niet alleen de Verlichting in gang gezet –- lees mijn boek -- maar wordt deze techniek dagelijks gebruikt voor waarheidsvinding, zoals bij het internationale recht of bij onderzoek naar genocide. En nog niet zo lang geleden is een Nederlands kabinet gevallen na historisch onderzoek over Srebrenica, en is de foute vader van onze kroonprinses buiten de deur gehouden, opnieuw na historisch onderzoek, in dit geval naar Jorge Zorreguieta.

Kortom de alfawetenschappen hebben een veel grotere impact dan gewoonlijk wordt gedacht. Het is dan ook de hoogste tijd dat iedereen inzicht krijgt in (de geschiedenis van) die fascinerende wetenschappen. Sterker nog: de meeste ontdekkingen die op conto staan van de alfawetenschappen worden gewoonlijk aan de bètawetenschappen toegeschreven, zoals de genoemde voorbeelden van hogere programmeertalen en de relatie tussen volken. De alfawetenschappen worden niet alleen vergeten maar hun resultaten ook nog eens verdonkeremaand! Dit boek komt dan ook deels voort uit een gevoel voor rechtvaardigheid. Ik moest iets recht zetten! Maar wat bezielt iemand om zo’n taak op zich te nemen, vooral iemand die niet uit de wetenschapsgeschiedenis afkomstig is. Wel, mijn andere drijfveer komt voort uit een droom, een wensdroom, dat al die zo uiteenlopende en gefragmenteerde wetenschappen mogelijk iets gemeenschappelijks hebben. En ik vermoedde aanvankelijk, maar weet nu met vrij grote zekerheid, dat dit gemeenschappelijke ligt in de zoektocht naar patronen, naar regelmatigheden, en zelfs naar wetmatigheden, die we niet alleen in de natuurwetenschappen maar ook in de alfawetenschappen aantreffen. Zo’n zoektocht had ik eerder gevonden in de taalkunde en de musicologie van de moderne tijd. En het leek me uiterst spannend om te onderzoeken of zo’n doorgaande zoektocht ook bestond in andere disciplines en in andere perioden.

Tja, en toen ik me eenmaal had gestort op dit onderwerp, was er geen houden meer aan. De alfageschiedenis bleek een goudmijn, en de zoektocht naar patronen (in taal, tekst, muziek, kunst en het verleden) was overal te vinden, van India, China, Afrika, Arabische wereld tot Europa. Ik kon weinig anders doen dan stug doorbeitelen in die prachtige goudmijn, tot de klus was geklaard. Welnu, dat is nu (de eerste klus) het geval, en ik kijk al weer met weemoed terug naar dat heerlijke beitelen. En ik hoop maar dat ik met mijn boek nu anderen kan laten meegenieten van al dat prachtige materiaal.

Dank u wel.

Na de uitreiking van het eerste exemplaar aan Joep Leerssen (Spinozawinnaar Geesteswetenschappen 2008 en hoogleraar aan de UvA), sprak Floris Cohen (hoogleraar Vergelijkende Wetenschapsgeschiedenis, Universiteit Utrecht).


Samenvatting toespraak Floris Cohen

Laat ik beginnen met een kleine greep uit de emailwisseling tussen mij en Rens:

(3 februari 2009!) Beste Rens, In zoverre kun je als criticus op me rekenen dat, als ik iets niet zo goed vind, ik dat dan onbewimpeld zij het hopelijk beleefd aan de betrokkene pleeg duidelijk te maken. Maar dat betekent omgekeerd dat, als ik iets echt steen- en steengoed vind, dan ben ik daar minstens zo expliciet in. Zoals dus met dit hoofdstuk van je, ik vind het grandioos. Nooit zoiets gezien, elke verdere bladzij denk ik weer waarom was dit er niet eerder? Maar dan weet ik ook weer zeker dat dat perspectief van de regelsystematiek, dat zo bij jou hoort en dat je zo consequent volhoudt door het hele hoofdstuk heen, zo kijkt een ‘pure’ alpha in de regel niet. Maar de opbrengst is formidabel, je staat inderdaad in een goudmijn en hoeft met die zelf getimmerde bijl van je maar in het rond te hakken. Eigenlijk heb ik doodgewoon geen kritiek, daar waar ik het beoordelen kan stem ik met alles wat je zegt in, en daar waar ik dat niet of maar een beetje kan oogt het in zijn samenhang allemaal buitengewoon plausibel. De dubbele vergelijking, tussen de verschillende kernproblemen in filologie, geschiedschrijving, muziek, etc., en dan ook nog eens tussen de drie grote oorspronkelijke beschavingen, dat maakt het echt tot een feest. Aan het eind kom je zo op nieuwe vraagstellingen die nog bij helemaal geen sterveling zijn opgekomen of hadden kunnen opkomen, magnifiek is dat.

Uit mijn vorige mailtje zou te lezen kunnen zijn dat ik de inhoud pico bello vind maar de presentatie maar zo zo. Dat is verre van het geval. Ik vind de tekst van begin tot eind meeslepend geschreven, bij alle vereiste objectivering tegelijk ook lekker persoonlijk, en glashelder van opbouw. Mijn kritiek betreft uitsluitend details, van voor het merendeel grote onbenulligheid ook nog zoals je wel zult zien. Ook de toon waarop je argumenteert vind ik erg prettig.

(van Rens aan mij) “Ik ben zeer benieuwd naar je stilistische en orthografische suggesties, ook al omdat ik sinds 1990 vrijwel niets meer in het Nederlands produceer, behalve emails en brieven (maar wat is het heerlijk om in mijn moerstaal te schrijven).”

(4 juni 2009) Ik heb net je middeleeuwse hoofdstuk uitgelezen, en er opnieuw buitengewoon van genoten. Wat een fraaie lappendeken! En wat pakken al die vergelijkingen die je maakt fraai uit! Het ontdekkersplezier spat opnieuw van de regels af.

(13 september 2009, blurbtekstje aan uitgeverij Prometheus; door de uitgever gezien de ruimte op het achterplat ietwat ingekort, vandaar nu toch ook de complete tekst)“Als je dit magnifieke boek leest, snap je niet hoe het komt dat er nooit eerder een geschiedenis van de geesteswetenschappen is geschreven. Maar als je het uit hebt, snap je maar al te goed dat voor zo’n spannend overzicht een begenadigd alleskunner nodig is. Nooit zal Rens Bod, een alpha-bèta met een meeslepende schrijfstijl, zoiets van zichzelf zeggen. Daarom zeg ik het, want alleen al dit boek rechtvaardigt die karakteristiek ten volle.”

(van Rens aan mij) “Ik vond de bijeenkomst afgelopen donderdag bijzonder inspirerend, en ben hard gaan nadenken hoe ik mijn eigen boek kan vrijwaren van presentistische concepten en perspectieven. Hoe moeilijk dit ook is, het is goed om er zich bewust van te zijn en de discussie aan te gaan (misschien is het zelfs beter om over de “studie der muziek” of “musica” te praten, dan over muziekwetenschap als we het over de oudheid hebben). Maar toch denk ik dat ik moet oppassen niet in een terminologische modderpoel terecht te komen, aangezien ik continu vergelijkingen wil maken tussen verschillende regio’s en periodes. Concepten en methoden moeten m.i. vergeleken worden, anders verdwijnt het hele plezier van de (wetenschaps)geschiedschrijving, wat dunkt jou?”

Beste Rens, Maak je alsjeblieft niet druk over eventuele verwijten aan jouw adres over presentisme! Ik ben dat zo volledig met je eens, dat in vergelijken het hele plezier zit, en bovendien veruit het grootste deel van de opbrengst. Volgens mij moet je precies zo doorgaan als je tot nu toe deed. Ik ben best bereid om, als je het boek helemaaal af hebt, het nog eens een keer door te vlooien op plaatsen waar redelijkerwijs echt serieus verwijtbaar presentisme zou kunnen worden aangewezen. Maar presentisme is tegelijk, misschien vooral zelfs, een sjibbolet, een standaard-verwijt van de onvruchtbaren, sommige academici zien dat je je niet strikt aan actors’ categories wenst te houden en kunnen dan met hun beperkte brein alleen nog maar Whiggism! roepen. Vooral niks van aantrekken, lijkt mij hier het recept, gewoon lekker onbevangen doorgaan.

(19 juli 2010) Beste Rens, Ik vind het een echt grandioos boek geworden. Bovenop wat ik al eerder voor commentaar had: je synopses werken voortreffelijk, ze geven nadere eenheid aan een veelheid die anders het zicht op het geheel wat dreigt te verduisteren. Het slot is formidabel. Je appendix over je eigen methode erg nuttig.
Omdat ik al zo laat ben met mijn reactie, laat ik het bij deze loftuitingen en beperk ik me nu verder tot kritische opmerkingen, als je maar weet dat ik het stuk voor stuk bijzaken vind die wat je in dit boek allemaal doet volstrekt niet aantasten.
...
Ik vind je algemene onderscheid tussen patroonzoekend en patroonverwerpend extreem verhelderend. Natuurlijk ging ik mijn eigen positie in deze tweespalt proberen te determineren, en volgens mij komt die neer op een sterke voorkeur voor die historici die geïnteresseerd zijn in zowel algemene wereldhistorische patronen als vooral ook, in nauwe samenhang daarmee, de enkele keer dat die in de loop van de geschiedenis doorbroken zijn. ... En wat ik me natuurlijk afvraag, is of deze tussencategorie van patroondoorbraak afzonderlijke behandeling in je uiteenzetting verdient.
Tot slot nog iets dat me maar vaag voor ogen zweeft. Je komt nergens in je slotbeschouwingen meer terug op wat ik maar even het ‘Holder’ fenomeen noem: dat geesteswetenschappers zelf geen idee hebben van hun geschiedenis, op zijn best van die van hun eigen discipline. Op het slot van je boek mag je dit best nog even als resultaat van je arbeid vermelden.
Zo, dit moet het dan maar zijn. Man wat heb ik van dit boek van je genoten.

Tot slot nog iets over vier van mijn lievelingskwesties/passages:
• de twee Holders (boven even aangeduid)
• prescriptief/descriptief en wisseling daarvan door tijd heen: een regelmaat die niet anders dan langs door Rens gekozen weg op het spoor te komen
• Vooruitgang (Kuhn tegen Kuhn; heerlijk onbevangen maar allerminst naïef)
• Het inspirerende slot, met uitzicht op nog meer beschavingen, en vooral ook met optimische toonzetting over wat geesteswetenschappen als mogelijkheden nog allemaal in petto hebben.
En nu echt helemaal tot slot: Mijn gelukwens, aan Rens maar eigenlijk aan ons allemaal dat dit boek, dat niemand miste omdat het in niemands hoofd opkwam dat zoiets kon, er nu schijnbaar doodgewoon is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen